ECLI:NL:RBDHA:2024:13893
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onrechtmatige ophouding door niet-verifieerbare elektronische handtekening op M105-D
Eiser werd op 26 februari 2024 gedurende twee uur opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze ophouding stelde eiser beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 3 april 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.
De kern van het geschil betrof de geldigheid van de elektronische handtekening op het M105-D formulier, dat als proces-verbaal van staandehouding diende. De rechtbank stelde vast dat de handtekening niet verifieerbaar was, mede doordat het document een gescand bestand betrof en geen valide pdf met controleerbare digitale handtekening. Verweerder kon ter zitting noch daarna de geldigheid van de ondertekening aantonen.
De rechtbank oordeelde dat hierdoor geen geldig ambtsedig proces-verbaal bestond en de ophouding onrechtmatig was. Een hersteltermijn werd verstreken zonder dat verweerder het gebrek herstelde. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en werd verweerder veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 80,- voor de onrechtmatige ophouding van twee uur. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt gegrond verklaard wegens onrechtmatige ophouding door niet-verifieerbare elektronische handtekening, met toekenning van een schadevergoeding van € 80,-.