ECLI:NL:RBDHA:2024:13862
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslistermijn en dwangsom bij overschrijding asielaanvraag na 21 maanden
Eiser heeft op 17 januari 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend waarop de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat de minister uiterlijk binnen zes maanden plus negen maanden verlenging (tot 17 april 2023) had moeten beslissen. Eiser stelde de minister op 9 december 2023 in gebreke en stelde daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
Hoewel de maximale termijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn is overschreden, leidt dit niet automatisch tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de richtlijn geen verplichting tot inwilliging inhoudt bij termijnoverschrijding. Wel legt de rechtbank een termijn op waarbinnen alsnog een besluit moet worden genomen.
De rechtbank stelt een termijn van twee weken na de uiterlijke datum voor het indienen van de zienswijze op het voornemen van 30 juli 2024 vast. Voor elke dag overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom van € 200 betalen, met een maximum van € 15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 437,50 aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank legt een termijn en dwangsom op aan de minister wegens overschrijding beslistermijn op de asielaanvraag.