ECLI:NL:RBDHA:2024:1368

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
NL24.2095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting maatregel bewaring en zicht op uitzetting Marokkaanse nationaliteit

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is sinds april 2023 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting en beoordeelt of de maatregel rechtmatig is vanaf 27 december 2023.

Eiser stelt dat geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat nog geen laissez-passer (LP) is afgegeven ondanks bevestiging van zijn nationaliteit in december 2023. Verweerder stelt dat uitzetting op korte termijn waarschijnlijk is. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een LP op dit moment onvoldoende is om het zicht op uitzetting te betwijfelen, mede omdat het verkrijgen van een LP na nationaliteitsbevestiging tijd kan kosten.

De rechtbank wijst erop dat eiser verplicht is volledig mee te werken aan zijn uitzetting, maar tot op heden geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om documenten te verkrijgen. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten geen LP zullen afgeven bij volledige medewerking. De maatregel van bewaring is derhalve rechtmatig en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2095

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 april 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage gedateerd 19 januari 2024 overgelegd.
Eiser heeft daarop op eveneens 19 januari 2024 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten op 26 januari 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep op 27 december 2023.
4. Eiser stelt dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eisers nationaliteit is bevestigd op 13 december 2023. Inmiddels is nog steeds geen LP [3] afgegeven. Desondanks spreekt verweerder in de voortgangsrapportage van een stellige zekerheid dat eiser op korte termijn zal worden uitgezet. Eiser acht deze mededeling niet geloofwaardig. Hij verblijft al negen maanden in bewaring en het is nog volstrekt onduidelijk of een LP zal worden verstrekt. Zijn belang bij opheffing van de maatregel weegt dan ook zwaarder dan het belang van verweerder bij de voortzetting hiervan.
5. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het algemeen oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko ontbreekt. [4] Hiervan is ook in de specifieke situatie van eiser geen sprake. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 13 december 2023 hebben bevestigd, dat er vervolgens op 15 december 2023 schriftelijk is verzocht om afgifte van een LP voor eiser en dat er op 2 en 16 januari 2024 nog door de afdeling DIA [5] over de LP-aanvraag is gerappelleerd. Dat er tot op heden geen LP is afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten is onvoldoende om aan te nemen dat nu het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn voor eiser ontbreekt. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het ook na een nationaliteitsbevestiging nog enige tijd kan duren voordat een LP wordt verstrekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser onverminderd de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting. Weliswaar is er geen sprake van een actieve frustratie, maar eiser heeft tot op heden geen enkele aantoonbare inspanning verricht om documenten betreffende zijn identiteit te verkrijgen, terwijl dergelijke medewerking wel van hem kan worden verlangd. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat de Marokkaanse autoriteiten, ook bij volledige medewerking van eiser, geen LP voor hem zullen afgeven.
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Bij de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6394, 17 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10734, 2 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15089, 8 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17236, 29 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18661 en 27 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20768.
3.Laissez-passer.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
5.Directie Internationale Aangelegenheden.