ECLI:NL:RBDHA:2024:13235
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot faillietverklaring afgewezen wegens onvoldoende bewijs vordering
In deze zaak heeft [bedrijf 1] B.V. een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [bedrijf 2] B.V., stellende dat zij een vordering heeft van € 23.369,- vermeerderd met incassokosten en rente. [bedrijf 1] baseert haar vordering mede op vermelding van schulden in de jaarrekeningen van 2022 en 2023 en een e-mail van een bestuurder van [bedrijf 2].
[bedrijf 2] betwist de vordering en stelt dat een deel reeds is betaald en dat de resterende vordering geen lening betreft maar aandelenkapitaal. Volgens [bedrijf 2] zijn de jaarrekeningen niet juist en is de vermeende vordering voldaan door levering van aandelen. De rechtbank stelt dat een vermelding in een jaarrekening geen dwingend bewijs is van een vordering en dat het vorderingsrecht van [bedrijf 1] niet summierlijk kan worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat voor een faillissementsverklaring zowel het bestaan van een vordering als de toestand van faillissement summierlijk moeten blijken, maar dat hier onvoldoende bewijs is geleverd. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.
Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf 2] wordt afgewezen wegens onvoldoende summierlijk bewijs van de vordering.