ECLI:NL:RBDHA:2024:13033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2024
Publicatiedatum
16 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.9233
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van november 2022. Verweerder heeft deze aanvraag uiteindelijk in mei 2024 ingewilligd. Omdat het beroep gericht was tegen het niet tijdig beslissen en de aanvraag inmiddels is toegekend, heeft eiser geen procesbelang meer en is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

De rechtbank beoordeelt vervolgens de geldigheid van de ingebrekestelling die eiser op 19 februari 2024 heeft ingediend. De wettelijke beslistermijn was door een verlenging van negen maanden, ingevoerd per september 2022, verschoven tot 20 februari 2024. De ingebrekestelling werd ingediend voordat deze termijn was verstreken, waardoor deze prematuur en niet geldig is.

De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van eerdere uitspraken waarin de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig werd geacht. Ook de prejudiciële vragen aan het Hof leiden niet tot aanhouding van de zaak. Gezien het ontbreken van een geldige ingebrekestelling is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege een prematuur ingediende ingebrekestelling en het feit dat de asielaanvraag inmiddels is ingewilligd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.9233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 6 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 20 november 2022.
Bij besluit van 26 mei 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser alsnog ingewilligd.
Eiser heeft niet gereageerd op de vraag van de rechtbank of hij het beroep handhaaft.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, wordt vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De vraag die resteert, is of verweerder moet worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten.
2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. Eiser heeft op 20 november 2022 een asielaanvraag ingediend. De wettelijke beslistermijn van zes maanden [2] zou in geval van eiser op 20 mei 2023 eindigen. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 [3] de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser op 20 februari 2024 is geëindigd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 [4] geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. De omstandigheid dat de Afdeling [5] prejudiciële vragen heeft gesteld [6] aan het Hof [7] , vormt geen aanleiding om de zaak aan te houden tot het Hof die vragen heeft beantwoord.
4. Eiser heeft verweerder op 19 februari 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en niet geldig is. Er bestaat daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Verwijzingsuitspraak 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.