ECLI:NL:RBDHA:2024:1235
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Polen
De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk zou zijn volgens het Dublin-verdrag. Eiser betoogt dat de situatie in Polen onder de maat is en dat hij risico loopt op indirect refoulement, mede vanwege de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 5 juni 2023.
De rechtbank houdt geen zitting en oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Nederland mag vertrouwen op de naleving van mensenrechten door Polen. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te tonen dat Polen niet aan zijn verplichtingen voldoet of dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat Polen, ondanks zorgen over de rechterlijke onafhankelijkheid, nog als betrouwbaar kan worden beschouwd voor de toepassing van het Dublin-verdrag. Het beroep faalt omdat eiser geen individuele risicofactoren heeft aangetoond die een afwijking van het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.W. Griffioen en griffier J. Dommerholt.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.