ECLI:NL:RBDHA:2024:12036
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Kroatische verantwoordelijkheid
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat hij in Kroatië is bedreigd door mensen die samenwerkten met mensensmokkelaars en dat de Kroatische autoriteiten hem niet adequaat hebben beschermd, onder meer door mishandeling en het onrechtmatig afnemen van telefoons. Hij voerde aan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel daarom niet van toepassing is.
De rechtbank overwoog dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De enkele verwijzing naar algemene bronnen en jurisprudentie volstaat niet, en eiser heeft niet aangetoond dat hij in Kroatië geen bescherming kan krijgen.
Ook de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals zijn ervaringen en de aanwezigheid van familie in Nederland, rechtvaardigen volgens de rechtbank geen uitzondering op de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld, waardoor overdracht aan Kroatië mogelijk is.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië blijft in stand.