ECLI:NL:RBDHA:2023:9939
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning familie en gezin na echtscheiding niet onrechtmatig
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier als familielid, kreeg deze vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf het moment dat zijn relatie met zijn ex-partner werd beëindigd. Verweerder handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser voerde in beroep aan dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onjuist was gemaakt, dat hij recht had op verblijf op grond van Besluit 1/80, en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 Awb Pro.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de relatie was verbroken en er geen sprake was van een beschermwaardig gezins- of privéleven in Nederland. De banden met Turkije waren nog steeds sterk en er waren geen onoverkomelijke obstakels om zich daar te vestigen. Het beroep op Besluit 1/80 faalde omdat eiser niet voldeed aan het vereiste van een jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever ten tijde van de intrekking.
Verder concludeerde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 Awb Pro niet werden geschonden en dat het terugkeerbesluit niet onrechtmatig was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Vanwege het niet tijdig horen in de bezwaarfase werd verweerder veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €837,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.