ECLI:NL:RBDHA:2023:9914
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijf als familie- of gezinslid wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, vader van de referent en Pakistaans staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn zoon. Eiser stelde in beroep dat hij vanwege medische problemen en financiële en emotionele afhankelijkheid wel degelijk een dergelijke relatie heeft.
De rechtbank oordeelde dat de bereidheid van de zoon om voor zijn vader te zorgen niet automatisch duidt op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Er is onvoldoende aangetoond dat andere familieleden of derden de benodigde zorg niet kunnen verlenen. Ook is de vader sinds 2017 zonder hulp van de zoon zelfstandig in Pakistan, en is er geen financiële afhankelijkheid aangetoond.
Verder heeft de staatssecretaris een belangenafweging gemaakt waarbij onder meer het economisch belang van Nederland en de banden van eiser met zijn land van herkomst zijn meegewogen. De rechtbank vond deze belangenafweging voldoende gemotiveerd en rechtvaardigde de afwijzing van de aanvraag.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.