ECLI:NL:RBDHA:2023:9069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
26 juni 2023
Zaaknummer
NL23.2456
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWBV 2022/22Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag afgewezen

De opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.

Tegen deze uitspraak werd verzet ingesteld door de opposant, die stelde dat de rechtbank niet tot een kennelijk oordeel was gekomen en dat er redelijke twijfel bestond over de uitkomst vanwege verschillen in rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22.

De rechtbank oordeelde dat de aangevallen uitspraak duidelijk verwees naar artikel 8:54 Awb Pro en dat er geen redelijke twijfel bestond over het oordeel. De verschillen in jurisprudentie bij andere zittingsplaatsen waren niet relevant omdat deze rechtbank al meerdere keren in gelijke zin had geoordeeld.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de oorspronkelijke uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de oorspronkelijke uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2456 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[Naam], opposant

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. S. Thelosen).

Procesverloop

Bij uitspraak van 19 april 2023 [1] (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] beslist op het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In dit verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert allereerst aan dat de rechtbank niet daadwerkelijk tot een kennelijk oordeel is gekomen, maar slechts heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is. Opposant meent voorts dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond, gelet op de verschillen in de rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22 [3] .
4. De rechtbank overweegt dat in de aangevallen uitspraak weliswaar niet uitdrukkelijk is overwogen dat sprake was van
kennelijkeniet-ontvankelijkheid, maar dat de vereenvoudigde afdoening voldoende duidelijk blijkt uit tekst van de uitspraak, waaronder een verwijzing naar artikel 8:54, eerste lid, van de Awb en het vermelde rechtsmiddel.
5. In wat opposant verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. In verzet zijn immers geen argumenten naar voren gebracht die in geval van een normale behandeling (ter zitting) hadden kunnen worden aangevoerd en waardoor twijfel zou zijn ontstaan over de uitkomst van het beroep. [4] De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van verweerder, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in drie uitspraken van 21 maart 2023 [5] en in alle vergelijkbare zaken sindsdien.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL23.2456
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
4.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.