ECLI:NL:RBDHA:2023:7448
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling feitelijke overdracht en onderduiken in Dublinprocedure naar Tsjechië
Eiseres, met de Mongolische nationaliteit, diende op 7 december 2021 een asielaanvraag in. Haar aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat zij reeds rechtmatig verblijf had in Tsjechië. Tegen dit besluit werd geen rechtsmiddel meer aangewend. Op 8 december 2022 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van eiseres tegen haar feitelijke overdracht aan Tsjechië ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.
De kern van het geschil betreft de vraag of de staatssecretaris de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd op grond van onderduiken, zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiseres was op het moment van de geplande overdracht niet aanwezig op het asielzoekerscentrum en had de autoriteiten niet geïnformeerd, wat leidde tot een melding van vertrek met onbekende bestemming en verlenging van de overdrachtstermijn.
Eiseres voerde aan dat haar afwezigheid te wijten was aan het zoeken naar medicijnen voor haar kinderen en dat zij niet de bedoeling had zich aan het toezicht te onttrekken. De rechtbank oordeelt echter dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar afwezigheid verschoonbaar was en dat zij geen geldige redenen had om de autoriteiten niet te informeren.
De rechtbank concludeert dat eiseres ondergedoken was in de zin van de Dublinverordening, waardoor de verlenging van de overdrachtstermijn rechtsgeldig was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de feitelijke overdracht aan Tsjechië wordt ongegrond verklaard omdat zij terecht is aangemerkt als ondergedoken en de verlenging van de overdrachtstermijn rechtsgeldig was.