ECLI:NL:RBDHA:2023:7010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2023
Publicatiedatum
16 mei 2023
Zaaknummer
NL23.3185
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod voor Oezbeekse vreemdeling

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, verbleef op 24 januari 2023 niet rechtmatig in Nederland en werd werkend aangetroffen door de arbeidsinspectie. Verweerder legde hem een terugkeerbesluit met vertrektermijn nul dagen en een inreisverbod van twee jaar op. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank behandelde het beroep op 5 april 2023 te Utrecht, waar eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. Eiser voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was, maar deze grond werd reeds in een eerdere uitspraak verworpen. Tevens stelde eiser dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere Oezbeken minder strenge maatregelen kregen. De rechtbank oordeelde dat een ambtelijke misslag bij andere beslissingen dit niet rechtvaardigt.

Verder voerde eiser persoonlijke omstandigheden aan om het inreisverbod te matigen, maar de rechtbank stelde vast dat hij tijdens het proces-verbaal van gehoor op de hoogte was gesteld van de mogelijkheid om dergelijke omstandigheden aan te voeren en dat nieuwe belangen in beroep niet mogen worden betrokken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3185
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

In het besluit van 24 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Op 24 januari 2023 verbleef hij niet rechtmatig in Nederland en is hij door medewerkers van de arbeidsinspectie werkend aangetroffen. Verweerder heeft hem opgehouden en heeft hem vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van nul dagen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
2. Eiser voert in beroep allereerst aan dat de ophouding die aan de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod vooraf ging, onrechtmatig is.
3. De rechtbank verwijst ten aanzien van deze beroepsgrond naar het oordeel dat zij hierover al heeft gegeven in de uitspraak van 22 februari 20231. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien of anders op zijn minst de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. Verweerder heeft volgens eiser het gelijkheidsbeginsel geschonden. Er zijn namelijk op 24 januari 2023 nog tien andere Oezbeken, ook zonder rechtmatig verblijf, werkend aangetroffen. Een deel van hen heeft geen inreisverbod gekregen dan wel slechts een inreisverbod van één jaar. Eiser wijst concreet op de zaken NL23.3187 en NL23.3189.
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De gemachtigde van verweerder heeft namelijk ter zitting toegelicht dat er een misverstand is geweest bij de betrokken hulpofficier van justitie. Door dit misverstand zijn aan vier van de in totaal elf aangetroffen vreemdelingen ten onrechte afwijkende besluiten opgelegd voor wat betreft de vertrektermijn en (de duur van) het inreisverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze door verweerder verstrekte informatie te twijfelen. Volgens vaste rechtspraak strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een ambtelijke misslag moet worden herhaald.2
6. Eiser voert tot slot aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien of de duur ervan had moeten verkorten in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft voor weinig geld zware arbeid verricht in Nederland en verkeert in een kwetsbare positie ten opzichte van de aannemer voor wie hij heeft gewerkt. Vanwege het opgelegde inreisverbod kan eiser niet in andere lidstaten van de Europese Unie werken.
7. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Blijkens het op 24 januari 2023 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor bij het terugkeerbesluit en inreisverbod, is eiser namelijk geïnformeerd over het tegen hem uit te vaardigen inreisverbod en de gevolgen daarvan. Eiser is erop gewezen dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden van het uitvaardigen van een inreisverbod kan worden afgezien dan wel dat de duur daarvan kan worden verkort en dat het aan hem is dergelijke omstandigheden aan te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt dat tijdens het gehoor specifieke vragen aan eiser zijn gesteld, waaronder de vraag of eiser familie en/of zakelijke belangen heeft in Nederland of Europa. Eiser heeft hierop verklaard dat hij dit niet heeft en dat hij enkel als toerist naar Nederland is gekomen. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank de door eiser in beroep alsnog gestelde zakelijke belangen niet in haar beoordeling betrekken.3
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2058.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRv S van 5 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3589.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 april 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.