ECLI:NL:RBDHA:2023:6081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
NL23.10813
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 96 lid 3 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 9 januari 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen het voortduren van deze maatregel heeft eiser beroep ingesteld en tevens schadevergoeding gevorderd.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 10 maart 2023. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld om de terugkeer van eiser te bevorderen, onder meer door het aanvragen van een laissez-passer en het voeren van vertrekgesprekken.

Eiser heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd voor zijn klachten en medewerking aan terugkeer ontbreekt, waardoor geen reden is voor een lichter middel. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting naar Marokko aanwezig is en dat de duur van de bewaring nog niet onredelijk is.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10813

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 januari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2023 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. Tevens is daar een tolk verschenen. Verweerder heeft zich op de rechtbank in Groningen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 maart 2023 (in de zaak NL23.6045) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 maart 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. De rechtbank oordeelt als volgt.
3.1.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op enig moment een lichter middel had moeten toepassen. Gelet op het gebrek aan medewerking van eiser, is een minder ver strekkende maatregel niet doeltreffend toe te passen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voortduren van de bewaring onevenredig bezwarend is (geworden) voor hem wegens zijn medische omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Eiser heeft verklaard bij het hoesten steken in zijn zij te voelen en zich duizelig te voelen, en daarnaast ook te zijn omgevallen. Van de medische dienst zou eiser alleen paracetamol krijgen, wat volgens hem niet afdoende is. De rechtbank leidt uit eisers verklaringen af dat hij toegang heeft tot de medische dienst en zorg ontvangt. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat eiser zich voor klachten over de medische dienstverlening in het detentiecentrum dient te richten tot de directie aldaar. Niet is gebleken dat eiser voor zijn klachten niet voldoende behandeld kan worden in het detentiecentrum. Verder is gesteld noch gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder sinds 10 maart 2023 voldoende voortvarend heeft gehandeld aan de terugkeer van eiser. Zo is op 15 maart 2023 gerappelleerd op de aanvraag voor een laissez-passer (LP) en zijn op 24 maart 2023 en
14 april 2023 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Daarnaast is op 6 april 2023 door de Marokkaanse autoriteiten bevestigd dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat eiser op 9 mei 2023 gepresenteerd zal worden.
3.3.
De rechtbank overweegt verder dat er, zoals ook in de uitspraak van 15 maart 2023 is overwogen, geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Zoals uit de nationaliteitsbevestiging volgt, werken de Marokkaanse autoriteiten mee aan terugkeer. Daarnaast verleent eiser niet zijn volledige en actieve medewerking aan terugkeer, waardoor gelet op vaste rechtspraak [1] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het zicht op uitzetting in beginsel al gegeven is.
3.4.
Inzake de duur van de maatregel overweegt de rechtbank dat deze nog niet zo lang voortduurt dat verweerder gehouden was om meer actie te ondernemen, dan wel de belangenafweging in eisers voordeel te laten uitvallen.
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is
ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden in het kader van de voortduring van de
maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet
de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode
tussen het sluiten van het vorige onderzoek op 10 maart 2023 en het sluiten van het
onderhavige onderzoek op 21 april 2023 op enig moment onrechtmatig was.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van
J.H. Folkers, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.