ECLI:NL:RBDHA:2023:6044

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
NL23.11106
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en verzoek schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit bezittende vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tevens verzocht eiser om schadevergoeding.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment was bevestigd. Het geschil richt zich nu op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds die uitspraak.

Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig handelt, onder meer omdat de resultaten van een Prüm-onderzoek niet waren overgelegd en er geen zicht zou zijn op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zorgvuldig en voortvarend handelt, onderbouwd door het indienen van een laissez-passer-aanvraag bij Marokkaanse autoriteiten, herhaalde rappelleringen, vertrekgesprekken met eiser en afronding van het Prüm-onderzoek zonder nadelige uitkomsten.

De rechtbank ziet geen aanleiding om nadere informatie te verlangen en concludeert dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11106

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 19 april 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2786. Uit deze uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend handelt. In de voortgangsrapportage staat dat er een Prüm-onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij onderzoek is verricht in België en Spanje. Het resultaat van dit onderzoek heeft verweerder niet overgelegd. Eiser meent dat het beoordelen van de voldoende voortvarende handelswijze van verweerder vereist dat de rechtbank op de hoogte is van de informatie die uit dit Prüm-onderzoek is voortgekomen. Deze informatie kan van belang zijn voor de Marokkaanse autoriteiten in hun onderzoek naar de inwilligbaarheid van de LP [2] -aanvraag. Daarnaast is eiser van mening dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen aan redelijke termijn ontbreekt.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend handelt. Vaststaat dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022. [3] De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft immers op 22 februari een LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en heeft op 24 februari 2023, 15 maart 2023 en 6 april 2023 de Marokkaanse autoriteiten schriftelijk gerappelleerd. Ook zijn er op 22 februari 2023 en 17 maart 2023 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Verder is uit het voortgangsrapport is gebleken dat een Prüm-onderzoek is opgestart en afgerond op 2 maart 2023. Niet is gebleken dat uit dit onderzoek resultaten naar voren zijn gekomen die gevolgen hebben voor het verlenen van een LP aan eiser. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding om verweerder te gebieden nadere informatie te verstrekken. De sinds het indienen van de LP-aanvraag verstreken tijd leidt zonder nadere aanknopingspunten niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven of dat er nog een presentatie zal plaatsvinden.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.ECLI:NL:RVS:2022:3269. Ook in een aantal latere uitspraken van 24 november 2022 en 2 februari 2023 (onder andere ECLI:NL:RVS:2022:3447 en ECLI:NL:RVS:2023:438) zet de Afdeling deze lijn ten aanzien van (zicht op uitzetting naar) Marokko voort.