ECLI:NL:RBDHA:2023:4890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
7 april 2023
Zaaknummer
NL23.6886
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 13 DublinverordeningArt. 22 DublinverordeningArt. 29 DublinverordeningVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië

Eiser, een Syrische nationaliteit, heeft op 9 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 26 juli 2022 illegaal Italië is binnengekomen, waardoor Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet meer geldt vanwege een circular letter waarin Italië om een tijdelijke opschorting van overdrachten verzocht. De rechtbank oordeelde dat deze opschorting slechts een tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel is en geen structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen inhoudt.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië bevestigen. Ook het argument dat Italië de overdrachtstermijn van zes maanden mag gebruiken om opvangproblemen op te lossen, werd verworpen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser kan worden overgedragen zodra de opschorting wordt opgeheven. Indien overdracht niet binnen de termijn mogelijk is, zal de nationale procedure worden gevolgd. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6886

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 9 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 26 juli 2022 illegaal Italië is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. [2] Italië heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd op dit verzoek, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening met ingang van 9 november 2022 vaststaat.
3. Eiser voert daartegen aan dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser verwijst hiervoor naar de circular letter van 5 december 2022, waarin de Italiaanse autoriteiten verzoeken om tijdelijke opschorting van gereguleerde overdrachten. Al ruim drie maanden vinden er geen overdrachten meer plaats naar Italië zodat niet langer gesproken kan worden van een tijdelijk overdrachtsbeletsel. Dat eiser zes maanden heeft om eiser over te dragen aan Italië betekent voorts niet dat Italië die termijn mag gebruiken om zijn opvangprobleem op te lossen. De opschorting van de overdrachten vindt bovendien geen steun in de Dublinverordening. Ook gelet daarop kan ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Daar komt bij dat sprake is van een fictief claimakkoord en derhalve geen expliciete aanvaarding door de Italiaanse autoriteiten van de overdracht van eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling [3] bevestigd. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. Verweerder heeft terecht overwogen dat er geen aanleiding is om af te zien van overdracht aan Italië. Uit de circular letter volgt dat Italië de lidstaten heeft verzocht om een tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening in verband met een onverhoopt ontstaan probleem met de opvangfaciliteiten. Echter, daaruit volgt enkel dat zich een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel voordoet en niet dat sprake is van structurele en fundamentele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. De rechtbank ziet zich in dat oordeel gesteund door bovenbedoelde Afdelingsuitspraak van 19 december 2022, die dateert van ná de circular letter. De Afdeling heeft blijkens die uitspraak in elk geval geen aanleiding gezien om vanwege de circular letter af te wijken van haar eerdere oordeel over Italië.
6. Voorts wijst de rechtbank ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 [5] en 30 oktober 2020 [6] betreffende een circular letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel betrof. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 31 mei 2022 [7] betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Het enkele feit dat er al enige tijd geen overdrachten naar Italië plaatsvinden en dat onbekend is hoelang de opschorting nog zal duren maakt dus niet dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De beroepsgrond van eiser dat de opschorting door de Italiaanse autoriteiten geen steun vindt in de Dublinverordening en zij de overdrachtstermijn van zes maanden niet mogen gebruiken om onverhoopt ontstane problemen in de opvang op te lossen slaagt daarom niet.
7. De rechtbank concludeert dat het tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel niet af doet aan de verantwoordelijkheid van Italië. Eiser kan alsnog worden overgedragen indien de opschorting vóór het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn wordt opgeheven. Wanneer daarentegen eiser niet binnen de uiterste overdrachtstermijn kan worden overgedragen, zal hij vervolgens worden opgenomen in de nationale procedure.
8. Het enkele feit dat sprake is van een fictief claimakkoord leidt maakt dat niet anders. Daarbij is van belang dat een fictief akkoord op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening gelijk wordt gesteld met een aanvaarding van het verzoek om eiser over te nemen. Daarmee hebben de Italiaanse autoriteiten toegezegd de internationale verplichtingen jegens eiser na te komen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.In de uitspraken van 10 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:49, 26 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2497 en 19 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3801.