ECLI:NL:RBDHA:2023:4791
Rechtbank Den Haag
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over ondeugdelijke motivering bij beoordeling bescherming UNRWA in asielprocedure
Eiser, een staatloze Palestijn, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen door familie van zijn voormalige partner, lid van Hezbollah. Het primaire besluit wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het risico op vervolging en het niet van toepassing zijn van artikel 1(D) Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank stelde vast dat verweerder het deel van het asielrelaas dat betrekking heeft op de bescherming door UNRWA ondeugdelijk had gemotiveerd. Hoewel eiser slechts zes dagen in een UNRWA-vluchtelingenkamp verbleef, stelde hij dat dit neerkwam op het feitelijk inroepen van bescherming. Verweerder kon niet adequaat onderbouwen waarom dit niet voldoende was.
Verder achtte verweerder de verklaringen van eiser over de relatie en bedreigingen ongeloofwaardig vanwege inconsistenties en ongerijmdheden. De rechtbank volgde dit oordeel, maar oordeelde dat het gebrek in de motivering over de bescherming door UNRWA herstel behoeft.
De rechtbank stelde verweerder in de gelegenheid het gebrek binnen vier weken te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door een nieuwe beslissing. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. Tegen deze tussenuitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het bestuursorgaan het gebrek in de motivering over de bescherming door UNRWA moet herstellen en houdt verdere beslissingen aan.