Uitspraak
1.ECLI:NL:RVS:2023:4219
2.ECLI:NL:RVS:2023:4180.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Roemeense vreemdeling, werd op 5 november 2023 in bewaring gesteld wegens risico op ontduiking van toezicht en voorbereiding van uitzetting. De maatregel is op 20 november 2023 opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht om schadevergoeding wegens procedurele gebreken, waaronder het ontbreken van een tijdstip op het M122-formulier en vermeende schendingen van het recht om gehoord te worden.
De rechtbank constateerde dat het M122-formulier wel de datum maar niet het tijdstip van uitreiking vermeldde, wat een gebrek in het voortraject vormde. Dit gebrek woog echter niet zwaarder dan het belang van de Staat bij de bewaring, gelet op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Tevens oordeelde de rechtbank dat verweerder conform de wettelijke vereisten en jurisprudentie had gehandeld bij het vragen van toestemming aan het Openbaar Ministerie voor de uitzetting.
Verder werd vastgesteld dat eiser bij de uitreiking van de maatregel weliswaar niet schriftelijk in een taal die hij verstaat volledig is geïnformeerd, maar dat hij mondeling met tolk op de hoogte was gesteld en rechtsbijstand kreeg. Het recht om gehoord te worden werd niet geschonden, mede omdat eiser zelf afstand deed van zijn recht om te verschijnen. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelde verweerder wel in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.