ECLI:NL:RBDHA:2023:19466
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onjuiste grondslag en toekenning schadevergoeding
Eiser, van Egyptische nationaliteit, werd op 16 november 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd later opgeheven en vervangen door een nieuwe bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, nadat Bureau Dublin een ander advies gaf. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.
De rechtbank oordeelde dat de eerste maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat verweerder onvoldoende motiveerde waarom niet direct artikel 59a kon worden toegepast. De onrechtmatigheid van de eerste bewaring leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de tweede bewaring. Het beroep tegen de eerste maatregel werd gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen. De beroepen tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en tweede bewaring werden ongegrond verklaard.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn stelling dat hij een verblijfsrecht in Griekenland heeft. Ook werd vastgesteld dat verweerder niet volledig voldeed aan de formele vereisten bij uitreiking van de bewaring, maar dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid. De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €530 voor de onrechtmatige vrijheidsbeneming en tot betaling van proceskosten van €837 aan de rechtsbijstandverlener.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de eerste maatregel van bewaring gegrond en kent een schadevergoeding van €530 toe; de overige beroepen worden ongegrond verklaard.