ECLI:NL:RBDHA:2023:17957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
NL23.26565
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders uit Oekraïne ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag heeft op 22 november 2023 het beroep behandeld van een derdelander uit Oekraïne tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. De asielaanvraag van eiser was eerder buiten behandeling gesteld en het voornemen tot beëindiging was op 30 juni 2023 kenbaar gemaakt.

Eiser voerde aan dat hij een uitzendovereenkomst had en dat hij en zijn werkgever niet tijdig waren gehoord over het besluit. Tevens verwees hij naar een arrest van het Hof van Justitie (Chakroun). De rechtbank oordeelde echter dat verweerder bevoegd was het besluit te nemen en dat er geen individueel gehoor verplicht was. Het beroep werd ongegrond verklaard.

De rechtbank zag geen reden om het onderzoek aan te houden of te schorsen in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een soortgelijke zaak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26565

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 22 augustus 2023, waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 31 mei 2023 is de asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Op 30 juni 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Verder is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als facultatieve groep te beëindigen. Er is geen aanleiding gezien prejudiciële vragen te stellen (ECLI:NL:RBDHA:2023:16291). Wat eiser daartegen in deze zaak heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4. In beroep is naar voren gebracht dat eiser een uitzendovereenkomst heeft voor werk als productiemedewerker vanaf eind juli 2023, dat hij hierover gehoord had moeten worden en dat werkgever en werknemer plotseling met dit besluit worden geconfronteerd. Verder is gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117 (Chakroun).
4.1.
Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over het (voorgenomen) besluit. Onder verwijzing naar de hiervoor onder 3. genoemde uitspraak (rechtsoverweging 7.2.) is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van een individueel gehoor.
4.2.
De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht verder geen grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van de bevoegdheid de tijdelijke bescherming te beëindigen. Daarbij zij met betrekking tot genoemde uitzendovereenkomst nog opgemerkt dat het voornemen dateert van 30 juni 2023.
5. Eiser heeft verzocht om aanhouding dan wel schorsing van het onderzoek ter zitting tot het moment dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak doet in een soortgelijke zaak. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.