ECLI:NL:RBDHA:2023:16715
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning voor slachtoffer mensenhandel wegens ontbreken strafrechtelijk onderzoek
Eiseres, afkomstig uit Nigeria, diende op 23 mei 2022 een asielaanvraag in, die niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublinverordening. Tijdens de procedure gaf haar gemachtigde aan dat zij slachtoffer was van mensenhandel en dat zij aangifte wilde doen, wat zij op 25 oktober 2022 daadwerkelijk deed. Het Openbaar Ministerie besloot op 1 november 2022 tot sepot vanwege het ontbreken van Nederlandse rechtsmacht.
De staatssecretaris wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 af, omdat er geen strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek was. Eiseres voerde aan dat Richtlijn 2004/81 onjuist was geïmplementeerd en dat zij ten onrechte geen bedenktijd had gekregen, wat haar rechten als slachtoffer zou schaden.
De rechtbank oordeelde dat Richtlijn 2004/81 correct was geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit. Hoewel eiseres geen formele bedenktijd kreeg, had zij voldoende gelegenheid om zich te beraden en aangifte te doen. Het onderscheid in beleid tussen Dublinclaimanten en andere vreemdelingen werd als gerechtvaardigd beschouwd, mede vanwege de gevolgen voor de asielprocedure en het ontbreken van Nederlandse rechtsmacht.
Verder stelde de rechtbank vast dat het sepotbesluit geen bewijs was van een strafrechtelijk onderzoek dat rechtvaardigt dat eiseres aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voldeed. Het verzoek tot horen in bezwaar werd afgewezen omdat de bezwaren vooral formeel-juridisch waren en geen aanleiding gaven tot een ander besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel wordt ongegrond verklaard.