ECLI:NL:RBDHA:2023:16613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks geschil over waardevermindering en hoorplicht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM die door verweerder is opgelegd na controle van de aangifte. De discussie betrof met name de waardebepaling van een Mazda MX-5, waarbij eiser stelde dat een correctie van 15% op de handelsinkoopwaarde toegepast had moeten worden vanwege schade. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom deze correctie van toepassing zou zijn en dat de waardevermindering niet aannemelijk is gemaakt.
Verder stelde eiser dat de hoorplicht was geschonden omdat hij niet tijdig kon deelnemen aan het hoorgesprek. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende gelegenheid heeft geboden en dat het niet verschijnen op het hoorgesprek niet aan verweerder kan worden toegerekend. Ook het beroep op het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en artikel 110 VWEU Pro wordt verworpen.
De rechtbank wijst het beroep af, maar erkent een overschrijding van de redelijke termijn van ruim acht maanden in de bezwaar- en beroepsfase. Daarom kent zij een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 toe en een proceskostenvergoeding van € 837. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 24 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard; vergoeding immateriële schade en proceskosten worden toegekend.