ECLI:NL:RBDHA:2023:16231
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen stopzetting tegemoetkoming voedingskosten leerling-vlieger in VS
Eiser volgde een vliegopleiding in de Verenigde Staten waarbij hij en zijn partner gehuisvest werden door Defensie en hij een tegemoetkoming in voedingskosten ontving. Verweerder stelde vast dat deze vergoeding onterecht werd toegekend vanwege een foutieve uitvoeringspraktijk en besloot deze per 1 december 2020 te beëindigen.
Eiser betwistte dat sprake was van een fout en stelde dat het een beleidswijziging betrof waarbij het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel bescherming biedt. Daarnaast voerde hij aan dat de tegemoetkoming een belangrijke factor was voor het meenemen van zijn partner en dat het belang van eiser zwaarder weegt dan dat van verweerder.
De rechtbank oordeelde dat de leerling-vliegerbrief van 2015 aanvullende voorzieningen regelt, maar dat het nooit de bedoeling was om ook een tegemoetkoming in voedingskosten toe te kennen aan leerling-vliegers met partner in de VS. De hogere toelage buitenland compenseert de extra kosten van levensonderhoud, waardoor dubbele vergoeding niet redelijk is.
De rechtbank achtte de correctie van de foutieve uitvoeringspraktijk met een afbouwperiode tot 1 december 2020 redelijk en vond dat het beroep ongegrond is. Er was geen doorlopend recht op de vergoeding en de tegemoetkoming vormde geen substantieel deel van het inkomen van eiser.
De uitspraak werd gedaan door rechter Smits en griffier Badermann op 1 mei 2023. Eiser kan binnen zes weken beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot stopzetting van de tegemoetkoming in voedingskosten is ongegrond verklaard.