ECLI:NL:RBDHA:2023:14575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
NL23.29028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De staatssecretaris heeft op 31 maart 2023 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 22 september 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank toetst of de voortzetting van de bewaring sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 11 augustus 2023 rechtmatig is. Eiser stelt dat de staatssecretaris niet voortvarend handelt, dat vluchtakkoord en laissez-passer ontbreken, en dat medische begeleiding niet tijdig kan worden geregeld. Ook voert eiser aan dat uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert vanwege zijn psychische problematiek.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan uitzetting, met bevestiging van nationaliteit, vluchtaanvraag met medische begeleiding en afgifte van laissez-passer in zicht. Eiser werkt niet mee aan terugkeer, waardoor het risico van langere bewaring voor zijn rekening komt. De rechtbank stelt dat de beoordeling van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro niet onderdeel is van deze procedure en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bewaring onevenredig bezwarend is.

De rechtbank ziet geen reden om de bewaring onrechtmatig te verklaren en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29028

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 31 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de meeste recente uitspraak van 15 augustus 2023 (in de zaak NL23.21891) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 11 augustus 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser meent dat de staatssecretaris niet voortvarend heeft gehandeld nu de uitzetting na een half jaar inbewaringstelling nog niet heeft plaatsgevonden. Verder voert eiser aan dat in het voortgangsrapport enkel de vluchtdatum en vluchtgegevens worden vermeld van de op 26 september 2023 geplande vlucht maar dat een vluchtakkoord ontbreekt en een daadwerkelijke aanvraagdatum van de vlucht niet is ingevuld. Ook blijkt niet uit het voortgangsrapport of de staatssecretaris al in het bezit is van een laissez-passer (lp) voor eiser. Verder acht eiser het niet aannemelijk dat de medische dienst, waarvan medewerkers met eiser meereizen naar Nigeria, voor aankomende dinsdag in het bezit wordt gesteld van een geldig visum. Overdracht zal daarom volgens eiser niet kunnen plaatsvinden. Verder voert eiser aan dat de uitzetting en de uitzettingshandelingen leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Eiser is vanwege zijn zeer lange verblijf in detentie depressief geraakt en lijdt aan psychische problematiek. Uit de gespreksnotitie van 1 augustus 2023 blijkt dat bij eiser sprake is van suïcidaliteit en dat hij mogelijk bij aankomst in Nigeria een suïcide poging gaat doen. Volgens eiser dient het BMA concreet te onderzoeken of eiser wel uitgezet kan worden en of bij uitzetting mogelijk sprake is van schending van artikel 3 EVRM Pro. Omdat een uitzetting niet in het verschiet ligt en de maatregel van bewaring spoedig de termijn van zes maanden zal hebben bereikt, dient de maatregel te worden opgeheven.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 4 september 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 15 augustus 2023 is ook gepoogd een vertrekgesprek met eiser te voeren maar toen heeft eiser geweigerd hieraan mee te werken. Verder heeft er op 31 augustus 2023 een presentatie in persoon plaatsgevonden bij de Nigeriaanse autoriteiten. Naar aanleiding hiervan is op 4 september 2023 de nationaliteit van eiser bevestigd. Verder is op 1 september 2023 een vlucht met medische begeleiding aangevraagd voor 26 september 2023. Ook blijkt uit het voortgangsrapport dat op 21 september 2023 een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
5. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er verder geen aanknopingspunten dat Nigeria in het algemeen weigert lp’s te verstrekken, of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven, waardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Uit het vertrekgesprek van 4 september 2023 blijkt dat eiser niet mee wil werken aan een terugkeer naar Nigeria. Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210) mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Nu eiser zijn uitzetting belemmert is daarmee in beginsel het zicht op uitzetting al gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank komt het voor rekening en risico van eiser dat de bewaring langer voortduurt, nu hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Verder heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld er met het boeken van de vlucht ook sprake moet zijn van een vluchtakkoord. Verder heeft de staatssecretaris ter zitting aangegeven dat op het moment dat de medische begeleiding van eiser niet op tijd een visum heeft ontvangen, de vlucht geen doorgang zal vinden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om op basis van hetgeen hierboven is overwogen in eisers geval aan te nemen dat er geen zicht op uitzetting bestaat.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of de uitzetting van eiser een schending van artikel 3 EVRM Pro met zich meebrengt geen onderdeel is van de beoordeling van de rechtmatigheid van de voortduring van de inbewaringstelling van eiser. Zoals de staatssecretaris ter zitting heeft toegelicht, staat het eiser vrij om een artikel 64-procedure te starten. Ook heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het voortduren van de bewaring onevenredig bezwarend is (geworden) voor hem wegens zijn medische omstandigheden. Niet is gebleken dat de in detentie beschikbare zorg voor eiser niet toereikend is, dat eiser niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of dat eisers gestelde psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren. Zie ook de Afdelingsuitspraak van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1162).
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt middel gepubliceerd uitspraak op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.