ECLI:NL:RBDHA:2023:14437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
NL23.13851
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:75 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag en bestuurlijke dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 8 oktober 2022. Verweerder heeft op 6 juli 2023 het besluit genomen om de asielaanvraag in te willigen. De rechtbank heeft eiser vervolgens gevraagd of hij akkoord was met dit besluit, waarop geen reactie kwam.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels is genomen en eiser daardoor geen procesbelang meer heeft. Het beroep richt zich ook op het besluit van 6 juli 2023, maar dit wordt ongegrond verklaard omdat verweerder heeft gesteld dat de ingebrekestelling prematuur was vanwege een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn.

De verlenging van de beslistermijn met negen maanden is rechtsgeldig op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen en de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor was de ingebrekestelling van 11 april 2023 te vroeg. Omdat eiser geen andere gronden tegen het besluit heeft ingebracht, wordt het beroep tegen het besluit ongegrond verklaard.

Tot slot overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, mede omdat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen door het besluit tot inwilliging. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit tot inwilliging van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13851

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 mei 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 8 oktober 2022.
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
De rechtbank heeft bij brief van 12 juli 2023 eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken kenbaar te maken of hij het eens is met het besluit van 6 juli 2023.
Eiser heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geen procesbelang meer heeft. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.
2. De rechtbank constateert dat het alsnog genomen besluit niet geheel aan het beroep van eiser tegemoet komt, omdat eiser de rechtbank heeft verzocht om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen en verweerder in het besluit van 6 juli 2023 heeft geconcludeerd dat de door eiser ingediende ingebrekestelling prematuur is. Het beroep heeft daarom, op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 6 juli 2023.
3. De Tijdelijke wet [2] sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. Dit leidt daarom niet tot een geslaagd beroep. Nu eiser overigens geen gronden heeft ingediend tegen het besluit van 6 juli 2023 is het beroep tegen dit besluit kennelijk ongegrond.
4. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk.
5. Eiser heeft zijn aanvraag op 8 oktober 2022 ingediend. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser eindigen op 8 april 2023. Verweerder heeft echter met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 11 september 2023 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraken van 21 maart 2023 geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van WBV 2022/22 sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. [3] De verlenging is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 11 april 2023 te vroeg is ingediend. Gelet op die omstandigheid bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de
aanvraag, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 6 juli 2023, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.