De zaak betreft een geschil over de juiste waardering van een chalet in Zwitserland voor de heffing van erfbelasting na het overlijden van de grootmoeder van eiseres in 2017. Eiseres betwist de door de Belastingdienst gehanteerde waarde van het chalet en stelt dat de waarde moet worden vastgesteld op basis van de Zwitserse WOZ-waarde, die aanzienlijk lager is dan de taxatiewaarde.
De rechtbank overweegt dat de Zwitserse WOZ-waarde niet bruikbaar is voor fiscale waardering omdat deze niet de waarde in het economische verkeer weerspiegelt. De Belastingdienst baseerde zich op twee taxatierapporten, één van de kleinkinderen en één van een oom, waarbij een gecorrigeerde gemiddelde waarde van circa € 430.609 werd vastgesteld. Eiseres voerde aan dat de ligging en omstandigheden van het chalet de waarde moeten drukken, wat door de rechtbank wordt erkend.
De rechtbank stelt daarom de waarde van het chalet vast op CHF 380.000 (€ 328.577), zoals bepaald in het taxatierapport van de kleinkinderen. Tevens wijst zij het beroep van eiseres op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur af, waaronder het vertrouwens-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel. De aanslag erfbelasting wordt verminderd op basis van deze waardering en de inkortingsregeling uit het testament. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van een deel van de proceskosten van eiseres.