ECLI:NL:RBDHA:2023:13818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn echtgenote en minderjarige kinderen. De aanvraag werd ingediend op 13 december 2022, waarna verweerder de beslistermijn verlengde met drie maanden, waardoor uiterlijk 11 juni 2023 een besluit genomen had moeten zijn. Deze termijn is verstreken zonder besluit. Eiser stelde verweerder rechtsgeldig in gebreke op 19 juni 2023 en diende op 6 juli 2023 het beroep in, dat tijdig werd geacht.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat sprake is van een bijzonder geval, gelet op de aard van de aanvraag (gezinshereniging bij houder van asielvergunning). Daarom wordt een langere beslistermijn dan de standaard twee weken opgelegd. Verweerder moet binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen. Voor elke dag overschrijding geldt een dwangsom van €100, met een maximum van €7.500.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van eiser ad €418,50, alsmede het griffierecht van €184. De rechtbank verwijst voor de motivering naar eerdere jurisprudentie en benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twintig weken alsnog een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.