ECLI:NL:RBDHA:2023:13559
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregelen grensdetentie wegens onrechtmatige voortzetting en onheuse bejegening
Eisers zijn in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege hun asielaanvraag aan de grens. Zij stelden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 door hen niet schriftelijk in een begrijpelijke taal te informeren over de redenen van de maatregel en hun rechten, waaronder het recht op gratis rechtsbijstand.
De rechtbank constateert dat verweerder niet aan deze schriftelijke informatieplicht heeft voldaan, maar dat eisers wel tijdig via hun advocaat van hun rechten op de hoogte zijn gesteld en beroep konden instellen. De rechtbank weegt het gebrek aan schriftelijke kennisgeving af tegen het grensbewakingsbelang en concludeert dat dit gebrek niet per definitie leidt tot gegrondverklaring van het beroep.
Daarnaast is gebleken dat eisers in het detentiecentrum onheus worden bejegend, onder meer door het plakken van een nep-identiteitsbewijs op hun pasjes en het nageroepen worden met de naam van een beruchte crimineel, wat hen angstig en gekwetst maakt. De rechtbank acht deze bejegening zodanig dat voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is.
Daarom beveelt de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen per 7 juni 2023. Verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen omdat de onrechtmatigheid pas op die dag ontstond. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €2.511,-.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen per 7 juni 2023 wegens onrechtmatige voortzetting en onheuse bejegening.