Uitspraak
zaaknummer: NL22.6008
Rechtbank Den Haag
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner, kreeg zijn vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 20 februari 2021. De staatssecretaris stelde dat de relatie met de verblijfsgever was verbroken en dat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden voor verblijf. Eiser voerde aan dat intrekking met terugwerkende kracht niet mogelijk is zonder frauduleus handelen, verwijzend naar een arrest van het Hof van Justitie uit 2011.
De rechtbank oordeelde dat het arrest niet van toepassing is omdat de intrekking niet na een jaar legale arbeid plaatsvond en dat het niet relevant is of sprake is van frauduleus handelen. Daarnaast werden de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals werk en geen beroep op sociale zekerheid, reeds betrokken bij het besluit en onvoldoende geacht voor afwijking van de beleidsregel. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiser geen nieuwe gronden aanvoerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Klein Egelink en griffier B. Voors op 31 juli 2023 te Arnhem.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.