ECLI:NL:RBDHA:2023:11447

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2023
Publicatiedatum
2 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.18116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 30 lid 2 Dublinverordening
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting.

De staatssecretaris heeft Nederland bij Duitsland verzocht de asielaanvraag terug te nemen, waarop Duitsland niet tijdig heeft gereageerd, wat wordt gezien als aanvaarding van het verzoek. De rechtbank stelt vast dat eiser op 15 juni 2023 met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de staatssecretaris te informeren over zijn verblijfplaats.

Volgens vaste rechtspraak wordt dan aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, tenzij hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde en daarmee aangeeft de procedure te willen voortzetten. De gemachtigde heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat er nog contact is of dat eiser nog in Nederland verblijft.

Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang (procesbelang) heeft bij zijn beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank doet geen inhoudelijke beoordeling en wijst proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18116

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Dit is ingegeven door het verweerschrift van de staatssecretaris van 26 juni 2023 aan de rechtbank, waarin hij verwijst naar een als bijlage gevoegd document met meldingen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit dit document blijkt dat eiser op 15 juni 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 4 juli 2023 via een bericht in het digitale dossier laten weten dat eiser van mening is dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van Pro de Dublinverordening wel procesbelang heeft. Over eventueel contact tussen de gemachtigde en eiser wordt alleen opgemerkt dat de gemachtigde geen opdracht van eiser heeft gekregen om het beroep in te trekken.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. [2]
7. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser in het bericht van 4 juli 2023 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog contact met eiser heeft. Uit het enkele feit dat de gemachtigde geen opdracht heeft gekregen om het beroep in te trekken blijkt niet dat hij nog contact met eiser heeft. Ook heeft de gemachtigde niet gesteld dat op dit moment duidelijk is waar eiser verblijft en of hij nog in Nederland verblijft. Verder valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat eiser door het bepaalde in artikel 30, tweede lid, van de Dublinverordening een procesbelang heeft bij zijn beroep.
8. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming en dus geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2019:579