ECLI:NL:RBDHA:2023:10229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Polen
Eiser, een asielzoeker uit Jemen, diende op 24 januari 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze niet in behandeling, omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk werd geacht. Eiser bracht nieuwe informatie in, waaronder een recente uitspraak van het HvJEU van 5 juni 2023 (zaak C-204/21), waarin werd gesteld dat het Poolse rechtssysteem niet voldoet aan EU-rechtelijke normen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris deze nieuwe informatie onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming en onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de stellingen van eiser dat hij bij terugkeer naar Polen risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Eiser voerde aan dat Polen geen onafhankelijke rechtspraak kent, sprake is van pushbacks en slechte detentieomstandigheden, en dat hij vanwege gezondheidsproblemen en familiebanden in Nederland niet naar Polen kan worden teruggestuurd.
De staatssecretaris stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en verwees naar eerdere uitspraken. De rechtbank vond dit onvoldoende, mede omdat de nieuwe HvJEU-uitspraak niet was meegenomen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen, waarbij de nieuwe informatie moet worden betrokken.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €1.674,- aan de gemachtigde van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en actuele beoordeling van Dublinclaims, zeker bij ernstige zorgen over de rechtsstaat en mensenrechtensituatie in de verantwoordelijke lidstaat.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd.