ECLI:NL:RBDHA:2022:9588
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging besluit over eerste arbeidsongeschiktheidsdag ZW-uitkering
De zaak betreft een beroep van een werkgever tegen het UWV over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van een ex-werkneemster in het kader van een Ziektewet-uitkering. De ex-werkneemster was per 1 november 2019 uit dienst gegaan en meldde zich pas bijna tien maanden later ziek. Het UWV stelde de eerste ziektedag op 1 november 2019 vast, gebaseerd op een beoordeling door een bedrijfsarts en een verzekeringsarts.
De werkgever betwistte deze datum, stellende dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en onvoldoende gemotiveerd had waarom deze datum juist was. De rechtbank oordeelde dat het UWV de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag overwegend baseerde op informatie van de ex-werkneemster zelf, zonder nadere medische informatie uit de periode rond de opgegeven eerste ziektedag op te vragen.
De rechtbank concludeerde dat het UWV het bezwaar van de werkgever onvoldoende had onderzocht en onvoldoende had gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en droeg het UWV op binnen 12 weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het griffierecht en de proceskosten aan de werkgever toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en motivering van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.