ECLI:NL:RBDHA:2022:7640
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering IOAW-uitkering wegens pensioenuitkering
Eiser ontvangt sinds 2012 een IOAW-uitkering. Verweerder herzag deze uitkering na een inkomenssignaal van de Belastingdienst, omdat eiser pensioenuitkeringen van Aegon ontving vanaf juni 2018. Verweerder vorderde ten onrechte te veel terug over de periode 1 juni 2018 tot en met 30 april 2020.
Eiser betoogde dat het pensioen bedoeld was als ouderdomspensioen en pas na pensioengerechtigde leeftijd had moeten ingaan, en dat de toerekening aan de genoemde periode onredelijk was. De rechtbank oordeelde dat het pensioen terecht als inkomen werd aangemerkt en toegerekend aan de periode waarin het feitelijk werd uitbetaald. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
De rechtbank stelde echter vast dat het terugvorderingsbedrag onjuist was berekend en corrigeerde dit tot €6.115,67. Het bestreden besluit werd vernietigd, het primaire besluit herroepen en het terugvorderingsbedrag vastgesteld. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op €6.115,67 en het bestreden besluit wordt vernietigd.