ECLI:NL:RBDHA:2022:3206
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder door de rechtbank getoetst en geacht rechtmatig te zijn tot het moment van het sluiten van het onderzoek in een eerdere uitspraak.
De eiser stelde dat de staatssecretaris onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend handelde, onder meer omdat bepaalde voortgangsgegevens niet waren opgenomen in eerdere rapportages en onduidelijkheid bestond over de communicatie met de Surinaamse autoriteiten. Tevens werd aangevoerd dat het verzoek om de maatregel van bewaring om te zetten in een meldplicht niet was opgevolgd.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van eiser niet waren geschaad door het ontbreken van bepaalde gegevens in eerdere rapportages en dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door tijdig informatie te verkrijgen en te verzenden aan het Consulaat-Generaal van Suriname. Het enkele feit dat de maatregel nog niet was omgezet in een meldplicht kon niet worden aangemerkt als onzorgvuldig handelen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.