ECLI:NL:RBDHA:2022:1518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde bij het verkrijgen van een laissez-passer van de Surinaamse autoriteiten en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het moment van het eerdere onderzoek rechtmatig was en dat nu alleen het voortduren van de maatregel sinds dat moment beoordeeld hoefde te worden. De stelling van eiser dat de Surinaamse autoriteiten een afwachtende houding aannemen, werd onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank achtte het wachten op het resultaat van het onderzoek naar de laissez-passer gerechtvaardigd, mede omdat de staatssecretaris tweemaal schriftelijk had gerappelleerd.
Voorts werd het argument dat een aanvraag in vrijheid meer kans van slagen zou hebben, verworpen omdat eiser zich in het verleden aan toezicht had onttrokken. Ook het recente vertrekgesprek en toezeggingen aan de Internationale Organisatie voor Migratie gaven geen aanleiding tot het oordeel dat onvoldoende voortvarend was gehandeld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.