Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eisende partij,
gemachtigde: mr. F. van Velden-van Passel,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. J.B.F. Smit.
1.Procedure
- de dagvaarding van 23 november 2020;
- de conclusie van antwoord;
- de in het geding gebrachte producties.
Rechtbank Den Haag
Eiser was sinds 2006 in dienst bij de Staat bij de Ambassade in Pristina en werd in december 2017 schriftelijk ontslagen met ingang van januari 2018. Hij maakte bezwaar tegen het ontslag en voerde aan dat het ontslag op valse gronden was gebaseerd en niet volgens de regels was verlopen. Eiser vorderde een bruto bedrag van €180.773,28 als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.
De arbeidsovereenkomst viel onder de Rechtspositieregeling lokaal indienstgenomen werknemers 2005, waarin een verjaringstermijn van zes maanden geldt voor vorderingen wegens kennelijk onredelijk ontslag. De Staat wijzigde de ontslagdatum na bezwaar naar 15 februari 2018. Eiser stelde dat de verjaring was gestuit door overleg tot november 2019 en dat de korte verjaringstermijn niet op hem mocht worden toegepast.
De kantonrechter oordeelde dat de vordering verjaard was omdat tussen het laatste overleg en de dagvaarding meer dan zes maanden waren verstreken. Het beroep van eiser op redelijkheid en billijkheid faalde omdat hij vanaf het ontslagdatum voldoende duidelijkheid had over het einde van zijn inkomen en hij tijdens de bezwaarprocedure door een advocaat werd bijgestaan. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van eiser wegens kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen wegens verjaring.