ECLI:NL:RBDHA:2022:15429
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige langdurig ingezetene wegens onvoldoende middelen van bestaan
Eiser, een langdurig ingezetene uit Noord-Macedonië, verzocht om een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel arbeid als zelfstandige. Zijn aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing.
De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij als zelfstandige voldoende en duurzame inkomsten genereert. De overgelegde stukken bevatten onduidelijkheden, zoals twijfel over de feitelijke uitvoering van werkzaamheden door eiser zelf, tegenstrijdigheden in het ondernemingsplan en onduidelijke financiële onderbouwing van offertes en facturen. Ook ontbraken een marktanalyse, bewijs van opleiding en werkervaring, en bewijs van vaste leveranciers.
De rechtbank oordeelt dat de Staatssecretaris terecht heeft afgezien van een hoorzitting, aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank bevestigt dat de Nederlandse regelgeving in lijn is met Richtlijn 2003/109/EG en dat eiser niet aan de voorwaarden van artikel 3.30 van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.