ECLI:NL:RBDHA:2021:7129
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning als zelfstandige wegens onvoldoende middelen van bestaan
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon met de status van langdurig ingezetene in Spanje, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland met als doel arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, zoals vereist op grond van artikel 3.30 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiser had eerder een aanvraag ingediend voor arbeid in loondienst bij hetzelfde bedrijf, wat was afgewezen. In bezwaar en beroep voerde eiser aan dat hij voldoende financiële stukken had overgelegd, waaronder een ondernemingsplan, BTW-aangiften en conceptjaarrekeningen. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende waren om het middelenvereiste te bevestigen en dat de in beroep overgelegde stukken niet konden worden meegewogen vanwege de ex-tunc toetsing.
Daarnaast stelde eiser subsidiair dat de Staatssecretaris aanvullende gegevens had moeten opvragen, maar de rechtbank verwierp dit beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het aan eiser is om de aanvraag volledig te onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.