Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 22 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Overwegingen
[naam clan], afkomstig uit de provincie [naam clan].
[naam clan]in verband kan worden gebracht met de militie
[naam militie]heeft verweerder niet de conclusie hoeven trekken dat [Naam 2] banden heeft met die militie.
LH, ECLI:EU:C:2021:478, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13497, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 5 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:135.
LHen de uitspraak van zittingsplaats Utrecht in dit geval strikt genomen niet van toepassing zijn, omdat deze zien op opvolgende asielaanvragen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit deze uitspraken niet kan worden afgeleid dat verweerder gehouden is om uit te gaan van de uitleg die de vreemdeling aan een overgelegd stuk geeft wanneer de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld. Wel kan uit deze uitspraken worden afgeleid dat verweerder door de vreemdeling overgelegde documenten niet terzijde mag schuiven om de enkele reden dat de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. Dat heeft verweerder in dit geval ook niet gedaan, aangezien verweerder ook de inhoud van de stukken heeft beoordeeld en daarbij diverse tegenstrijdigheden in de stukken heeft aangewezen.
[naam clan]-clan. In het bestreden besluit heeft verweerder zich, anders dan in het voornemen, op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser de tenues van de daders niet heeft gezien, niet per definitie de geloofwaardigheid aantast. Verweerder heeft echter wel kunnen overwegen dat eiser niet met gedetailleerde verklaringen aannemelijk heeft gemaakt waarom hij de daders in verband brengt met deze clan.
[naam clan]-militie. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat zij in dat geval ook ten prooi had kunnen vallen aan eerwraak, terwijl uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor kan worden afgeleid dat dit niet het geval is geweest (pagina 12). De stelling van eiser dat sprake kan zijn geweest van een vooropgezet plan van [Naam 2] en de clan gezamenlijk om hem af te persen, wordt niet gevolgd omdat dit is gebaseerd op vermoedens. De stelling dat eiser eerder een goede baan heeft gehad in Oman is onvoldoende om wel van de juistheid van deze vermoedens uit te gaan.