Eiseres, exploitant van een sportschool in een gehuurd pand, maakte bezwaar tegen de aanslag onroerende-zaakbelasting (OZB) voor 2021, stellende dat het pand door corona-maatregelen tijdelijk gesloten was en niet bruikbaar. Zij voerde tevens aan dat haar e-mail van 25 februari 2021 als tijdig bezwaar moest worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de e-mail als bezwaar kon worden beschouwd en dat eiseres als gebruiker van het pand moest worden aangemerkt, aangezien zij het pand ondanks beperkingen bleef gebruiken, onder meer door toegang, inrichting en schoonmaak. De corona-maatregelen beperkten het gebruik, maar namen de mogelijkheid tot gebruik niet weg.
De aanslag werd daarom terecht opgelegd op basis van de WOZ-waarde en het geldende tarief. De subsidiaire vordering tot een lagere aanslag voor de periode waarin het pand wel open was, faalde omdat de Verordening OZB geen ruimte biedt voor tariefaanpassing en de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van het college is. Het beroep werd ongegrond verklaard.