ECLI:NL:RBDHA:2022:14081
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Dit beroep is later ingetrokken, waarbij verzoekster een vergoeding van proceskosten heeft gevraagd. De rechtbank overweegt dat een proceskostenveroordeling alleen kan worden opgelegd als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig herziet dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig wordt erkend.
In deze zaak is vastgesteld dat het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan pas kan beslissen nadat het DNA van de kinderen van verzoekster is onderzocht. Dit betekent dat verweerder niet is tegemoetgekomen aan het beroepschrift. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af als kennelijk ongegrond en doet dit zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door het bestuursorgaan.