ECLI:NL:RBDHA:2022:12124
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Oostenrijk wegens ontbreken indirect refoulement
Een Egyptische asielzoeker diende in Nederland een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, maar verweerder stelde vast dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De asielzoeker vreesde indirect refoulement bij overdracht aan Oostenrijk, stellende dat Oostenrijk Egypte als veilig land beschouwt en de kans op bescherming daar nihil is.
De rechtbank oordeelde dat de asielzoeker onvoldoende bewijs leverde dat Oostenrijk onder vergelijkbare omstandigheden een ander beschermingsbeleid voert dan Nederland. Het verschil in inwilligingspercentages tussen Nederland en Oostenrijk is onvoldoende om te concluderen dat overdracht indirect leidt tot onmenselijke behandeling. De asielzoeker had ook geen concrete aanwijzingen dat de Oostenrijkse rechter hem niet adequaat zou beschermen.
De rechtbank benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het belang van het tegengaan van forumshoppen binnen de Dublinverordening. De asielzoeker had bovendien de mogelijkheid tot beroep in Oostenrijk benut. Gezien het ontbreken van bewijs dat Oostenrijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, werd het beroep ongegrond verklaard en de overdracht aan Oostenrijk bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt ongegrond verklaard en hij wordt overgedragen aan Oostenrijk.