Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser
[naam 2]
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse asielzoeker, verzocht om asiel en uitstel van vertrek vanwege de ernstige medische aandoeningen van zijn minderjarige zoon, waaronder psychomotore retardatie en epilepsie. De staatssecretaris wees de asielaanvraag af en verleende geen uitstel van vertrek, omdat medische problematiek op zichzelf geen grond is voor asiel en eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat medische zorg in Irak niet toegankelijk is.
De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser niet aanwezig was. Het Bureau Medische Advisering gaf aan dat de zoon levenslange behandeling nodig heeft en dat medische zorg in Irak aanwezig is, maar de feitelijke toegankelijkheid daarvan was in geschil. Eiser moest aantonen dat hij de kosten van behandeling niet kan dragen, maar faalde hierin.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende onderbouwde dat medische zorg in Irak ontoegankelijk is en dat medische omstandigheden geen grond voor asiel vormen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het weigeren van uitstel van vertrek is ongegrond verklaard.