ECLI:NL:RBDHA:2022:10877
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, houder van de Soedanese nationaliteit, diende een verzoek om schadevergoeding in na de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht tot 1998 en 2001. De intrekking werd door de rechtbank in 2015 onrechtmatig verklaard. Verzoeker vorderde zowel materiële schadevergoeding wegens verlies van arbeidsmogelijkheden als immateriële schadevergoeding voor psychische klachten.
De Staatssecretaris wees het verzoek af wegens niet voldaan causaliteits- en relativiteitsvereiste. De rechtbank stelde vast dat het vreemdelingenrecht niet strekt tot bescherming van vermogensschade, waardoor materiële schadevergoeding werd afgewezen. Ten aanzien van immateriële schade erkende de rechtbank dat de onrechtmatige intrekking heeft geleid tot angst, onzekerheid en psychische klachten bij verzoeker, wat een aantasting in zijn persoon vormt.
De rechtbank baseerde zich op medische stukken en jurisprudentie en stelde vast dat verzoeker recht heeft op een billijke immateriële schadevergoeding. Gelet op de duur van de onzekerheid en het tijdig instellen van beroep, werd een bedrag van €3.000,- toegekend. Daarnaast werden proceskosten van €1.518,- aan verzoeker toegekend. Het verzoek om overige schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €3.000,- immateriële schadevergoeding en proceskosten van €1.518,-, terwijl het verzoek tot materiële schadevergoeding wordt afgewezen.