ECLI:NL:RBDHA:2022:10859
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De vreemdeling, met vermeende Cubaanse nationaliteit, maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetste deze maatregel opnieuw, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin de rechtmatigheid tot het moment van sluiting van het onderzoek was bevestigd.
De beroepsgrond richtte zich op het vermeende gebrek aan voortvarendheid van de overheid en het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de overheid meerdere malen contact had gezocht met diplomatieke vertegenwoordigers van Ghana en Cuba om de nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen en het vertrek te realiseren.
Daarnaast bleek uit verslagen van vertrekgesprekken dat de vreemdeling zelf geen inspanningen verrichtte om zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen en niet bereid was zelfstandig zijn vertrek te realiseren. Dit werd als eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat er wel degelijk sprake is van voortvarendheid en redelijk vooruitzicht op verwijdering, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.