ECLI:NL:RBDHA:2022:10830
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag minderjarige wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiseres, een minderjarige van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van haar bekering tot het christendom. Haar eerdere aanvraag was reeds afgewezen, en het beroep hiertegen werd door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelde de geloofwaardigheid van haar bekering aan de hand van drie elementen: motieven en proces van bekering, kennis van het nieuwe geloof en activiteiten binnen het nieuwe geloof.
Verweerder achtte de bekering van eiseres niet geloofwaardig, mede omdat haar verklaringen over motieven en het proces van bekering oppervlakkig waren en onvoldoende inzicht boden in een diepgewortelde overtuiging. Hoewel rekening werd gehouden met haar leeftijd en minderjarige status, vond de rechtbank dat eiseres niet voldoende toelichting gaf op haar bekering en dat haar kennis en activiteiten binnen het christendom dit niet konden compenseren.
Daarnaast mocht verweerder meewegen dat de bekering van haar ouders ongeloofwaardig was bevonden, aangezien eiseres onderdeel uitmaakt van het gezin. Verklaringen van derden werden weliswaar betrokken, maar boden geen nieuw inzicht. Ook werden andere asielmotieven zoals afvalligheid en traumatische ervaringen niet als zelfstandig relevant beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen als kennelijk ongegrond en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering wordt ongegrond verklaard.