ECLI:NL:RBDHA:2022:10708
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging opvang en Rva-verstrekkingen aan asielzoekster en zoon
Eiseres, een asielzoekster met een jonge zoon, maakte bezwaar tegen het besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) om de Rva-verstrekkingen en opvang per 16 februari 2022 te beëindigen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had eerder uitstel van vertrek verleend vanwege medische omstandigheden van haar zoon, waardoor zij tijdelijk recht hadden op opvang en verstrekkingen.
De rechtbank overwoog dat de Rva 2005 geen voorziening biedt voor voortzetting van opvang buiten de vastgestelde categorieën, tenzij sprake is van een acute medische noodsituatie. Eiseres slaagde er niet in deze noodsituatie aannemelijk te maken, mede omdat zij geen medische specialistische documenten overlegde. De rechtbank stelde vast dat de noodzakelijke medische zorg ook buiten de opvang kan worden voortgezet op grond van artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet.
Verder bleek uit stukken dat de zoon een verblijfsdocument zal ontvangen en rechtmatig verblijf zal verkrijgen, waardoor voortzetting van medische zorg mogelijk blijft. De opvang zal niet worden beëindigd voordat een gezinslocatie beschikbaar is, zodat opvang en zorg toegankelijk blijven. De rechtbank wees het beroep af en wees het verzoek om voorlopige voorziening eveneens af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de Rva-verstrekkingen en opvang is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.