ECLI:NL:RBDHA:2022:10495
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens schijnhuwelijk en onvoldoende bewijs duurzame relatie
Eiser, een Turkse staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn Bulgaarse echtgenote te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af op grond van een gegrond vermoeden van een schijnhuwelijk, gebaseerd op tegenstrijdige verklaringen, het ontbreken van inschrijving in de BRP en het niet reageren op verzoeken om informatie.
Eiser stelde dat er sprake is van een duurzame relatie, mede omdat referente zwanger is, en voerde aan dat het gehoor onzorgvuldig was en geen belangenafweging had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een hoorzitting hield en dat de wijze van onderzoek en de motivering van het vermoeden van schijnhuwelijk voldoende waren.
De rechtbank concludeerde dat de door verweerder vastgestelde inconsistenties en onwaarheden de geloofwaardigheid van de relatie aantasten en dat de aangevoerde bewijsstukken en zwangerschap niet tot een andere beoordeling leiden. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat het verblijfsdocument slechts het rechtmatig verblijf bevestigt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en is eiser niet gerechtigd tot afgifte van het gevraagde verblijfsdocument.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor het verblijfsdocument wordt afgewezen wegens een gegrond vermoeden van schijnhuwelijk.