Eiseres had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv). Na het instellen van het beroep heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarbij aan eiseres alsnog een mvv is verleend, maar op basis van een andere aanvraag met een andere referent.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunt over het procesbelang kenbaar te maken. Verweerder stelde dat het procesbelang was vervallen omdat eiseres inmiddels een mvv heeft ontvangen. Eiseres voerde aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig was en dat zij kosten had gemaakt die vergoed moesten worden.
De rechtbank oordeelde dat het doel van het beroep, het verkrijgen van een mvv, feitelijk was bereikt met het nieuwe besluit. Omdat het nieuwe besluit op een andere aanvraag is gebaseerd, is niet aannemelijk dat eiseres door het beroep in een gunstigere positie kan komen. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Ook is geen aanleiding gevonden om verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat verweerder niet geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan de oorspronkelijke aanvraag en het procesbelang niet door toedoen van verweerder is vervallen.
De uitspraak is gedaan door rechter W.M.P. van Alphen op 4 augustus 2021 en kan binnen vier weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.