ECLI:NL:RBDHA:2021:8053
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op hogere Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Eiseres, geboren in 1990, ontvangt sinds 2014 een Wajong-uitkering op grond van de toen geldende wetgeving. Na een herbeoordeling in 2017 werd vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waarna haar uitkering werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Eiseres stelde dat haar medische situatie was verslechterd en dat zij geen arbeidsvermogen meer had, waarop verweerder een medisch onderzoek liet verrichten. Uit meerdere medische rapporten, waaronder van verzekeringsartsen en psychiaters, bleek dat eiseres door behandeling vooruitgang boekte en dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De rechtbank oordeelde dat verweerder het bestreden besluit terecht handhaafde, ondanks dat de motivering aanvankelijk summier was, omdat in de beroepsfase voldoende medische onderbouwing was geleverd.
De rechtbank overwoog dat het beoordelingskader van het Compendium Participatiewet was gevolgd en dat de inschatting van de verzekeringsarts gebaseerd was op concrete medische feiten en omstandigheden. Hoewel geen arbeidsdeskundig rapport was opgesteld in de beroepsfase, was dit niet noodzakelijk gezien eerdere arbeidskundige beoordelingen en de medische situatie. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak bevestigt dat bij Wajong-uitkeringen het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen medisch goed moet worden onderbouwd en dat een verbetering door behandeling kan betekenen dat het ontbreken niet duurzaam is. De procedure benadrukt het belang van een zorgvuldige en transparante besluitvorming volgens het geldende beoordelingskader.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van een hogere Wajong-uitkering is ongegrond verklaard omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.