ECLI:NL:RBDHA:2021:6934
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen DNA-afname minderjarige veroordeelde voor graffiti
De veroordeelde werd op 3 augustus 2011 door de kinderrechter veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen goederen, namelijk het spuiten van graffiti, en kreeg een werkstraf van 40 uur opgelegd. Op 26 oktober 2020 werd een bevel gegeven tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, welke afname op 14 januari 2021 plaatsvond. De veroordeelde, destijds 13 jaar oud bij het plegen van het feit, maakte bezwaar tegen de DNA-afname op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het bezwaar gegrond moest worden verklaard gezien de jeugdige leeftijd, geringe ernst van het feit en het ontbreken van recidive. De rechtbank oordeelde dat de afname van DNA in principe verplicht is bij veroordelingen voor misdrijven zoals omschreven in artikel 67 Sv Pro, maar dat uitzonderingen mogelijk zijn wanneer het redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA-onderzoek niet bijdraagt aan opsporing of vervolging.
Gezien de minderjarige leeftijd van de veroordeelde, het geringe recidivegevaar en de relatief geringe ernst van het misdrijf, achtte de rechtbank toepassing van de uitzonderingsgrond passend. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval de officier van justitie het celmateriaal terstond te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.